Artist Statement

EN / NL

For as long as I can remember I have been intrigued by self-portraits. What is a self-portrait? A portrait of yourself. But what is that really: a self? Many things come to mind: individuality; unique identity; the expression of social structures. My particular interest is in the self as an experience of aliveness; as an inner world; as a collection of inner voices.

To be able to portray such a self, I stage role-plays with puppeteers, pierrots and hand puppets. The puppets reflect fears, yearnings, dreams, thought patterns and, ultimately, the actions of the puppeteer as well. The self-portrait is thus formed by relationships between them. A man holds two Mr. Punch puppets but appears to have little control over either. We see him, seemingly impassive, as one of the puppets measures up his face, holding a ruler in front of the man’s right eye. The scene depicts a self-portrait as a monologue intérieur, but can also be seen as a critique of the omnipresent tendency to view everything from the perspective of measurable data. I believe that way of seeing things is too constrained and narrows the mind. Can anything match the descriptions you can make of it? In a similar way, concepts such as autonomy, intimacy, loneliness and human deficiency emerge in my work.

What is striking in the paintings is that hair, eyes, buttons, hands and sleeves are all made up of sections outlined in black. By closely controlling the colours, textures and degree of lustre of the areas, a balanced unity is created in the image. Both puppets and player are given the same degree of aliveness, causing the distinction between them to blur. For me, this is important, because it emphasises that the self-portrait is constructed as much by the puppets as the puppet-master. In my photo work, I often make use of self-portrait masks. They convey moods and (dreamed) self-images. When I put on the masks, I bring my self-portrait close to me and connect it with the light of my eyes.

Work created over recent years consists not only of puppet shows and masquerades, but also of a series which, by this time, comprises over twenty-five variations on Fifteen Sunflowers in a Vase by Vincent van Gogh. When I started to copy Van Gogh's bouquets, I saw a jellyfish float gently upwards; twin sisters with their cheeks pressed together; a flower with the head of a bat. Associations are everywhere. The mind determines what you see and how you subsequently experience it. My flower paintings can be perceived as a record of my experiences when looking at the three versions of Fifteen Sunflowers in a Vase by Vincent van Gogh. That the works are so well-known is, I feel, a great advantage: it means that everyone can look over my shoulder and dissect, transform and animate the bouquets along with me. With this, the still lifes become self-portraits, not only of me as a painter, but of whomever looks at them.

Wouter van Riessen,
winter 2021

EN / NL

Vanaf het begin draait al mijn werk om het zelfportret. Wat is dat eigenlijk: een zelf? Mijn bijzondere interesse gaat uit naar het zelf als verzameling van innerlijke stemmen en sferen; naar wie je bent voorbij de data die je identiteit aangeven. In recente schilderijen en fotowerken onderzoek ik de rol die de verbeelding hierbij speelt. Dat doe ik aan de hand van kunst die me raakt. Vanuit de gedichten van Baudelaire en de zonnebloemschilderijen van Van Gogh ontstaan nieuwe beelden. Die zijn een weerslag van mijn binnenwereld en vormen daarmee een zelfportret.

Ik werk graag met poppen. Een pop ontleent het leven aan de blik van wie ernaar kijkt. Je verbeelding maakt dat een pop terugkijkt en dat je er contact mee kunt maken. Als je beter kijkt, komt er steeds meer leven in de pop terecht. De ongrijpbare relaties tussen materie en geest en binnenwereld versus buitenwereld komen dan naar de oppervlakte. Veel van mijn schilderijen laten poppenspelers zien. Het zelfportret rijst dan op uit de relatie tussen de poppen en hun bespeler. In een van de doeken zien we een man die schijnbaar willoos zijn gezicht door twee Jan Klaassens laat opmeten. Zijn rechteroog gaat schuil achter een liniaal. Het is een (zelf)kritiek op de alomtegenwoordige neiging om alles vanuit het perspectief van data te beschouwen. Die manier van kijken duwt betekenisvragen naar de achtergrond. Ik zie voor de beeldende kunst de belangrijke rol weggelegd om voorbij alle data de ongrijpbaarheid van de werkelijkheid in herinnering te brengen.

Sinds een aantal jaren onderzoek ik de kracht van de verbeelding aan de hand van de drie versies van Vijftien zonnebloemen in een vaas die Vincent van Gogh in 1888 en 1889 gemaakt heeft. De houdingen en uitdrukkingen van Van Gogh’s zonnebloemen hebben een bijna menselijke expressie. Tegelijkertijd zijn ze individueel soms nauwelijks als bloem te herkennen. Dat maakt ze heel geschikt voor een spel met asssociaties. Toen ik Van Gogh’s bloemen begon na te tekenen, zag ik steeds nieuwe dingen naar voren komen: een kwal die zachtjes omhoogdrijft; tweelingzussen met de wangen tegen elkaar; de kop van een vleermuis. Interessant is ook de uitdrukking van het boeket als geheel; in de versie die ik het best ken - die in het Van Gogh Museum - zie ik een mengeling van schrik en verbazing. Dat Vijftien zonnebloemen in een vaas een zo bekend beeld is, zie ik als een groot voordeel: iedereen kan zien waar mijn bloemen vandaan komen en wordt op het spoor gezet ook míjn boeketten tot leven te brengen.

De 19e-eeuwse dichter Charles Baudelaire is in staat met zijn werk intieme herinneringen en sferen bij me op te roepen; onalledaagse gevoelens van liefde en vergankelijkheid, verbondenheid en verlatenheid. Om zulke stemmingen vorm te geven, gebruik ik attributen van de kindertijd: poppenkastpoppen. Poppenkastpoppen hebben net als de gedichten van Baudelaire een uitgesproken expressie en een sterke symbolische lading. Ik koop houten poppen op internet die ik met guts, schuurpapier en acrylpasta net zo lang bewerk tot ze kijken zoals ik wil. Vervolgens maak ik daar tableaus mee die ik fotografeer. Vaak wijken mijn beelden behoorlijk af van wat Baudelaire in zijn gedichten schrijft; ik leg andere nadrukken dan hij, identificeer me op een andere manier met de personages. In een van de prozagedichten (Les Veuves) wordt de zoon van een weduwe gekenschetst als onstuimig, zelfzuchtig, verstoken van zachtmoedigheid en geduld. Ik zag het kind heel anders voor me: geslagen door het lot, aan zijn moeder vastgeplakt. Aan de hand van dat beeld heb ik vervolgens naar een fotowerk toegewerkt. Ik begeef me in de wereld van Baudelaire en kijk daar vrij om me heen.

Wouter van Riessen, 2022